ESSAY
Nederland is een bijzonder land. We hebben een verzorgingsstaat waarin de overheid een belangrijke rol speelt in het ondersteunen van maatschappelijke initiatieven, kunst, cultuur en gemeenschappen. Iets wat we absoluut moeten koesteren.
Maar de afgelopen jaren ben ik me steeds vaker gaan afvragen of dit systeem ons soms niet ook in de weg zit.
Vanuit mijn werk binnen de culturele sector en verschillende gemeenschappen ontmoet ik voortdurend mensen die vanuit vrijwel niets iets bijzonders weten op te bouwen. Mensen die communities samenbrengen, cultuur ontwikkelen, talent ontdekken en maatschappelijke problemen aanpakken waar bestaande instituties soms nauwelijks toegang toe hebben.
Wat mij daarbij opvalt, is dat veel van deze initiatiefnemers ontzettend ondernemend beginnen, maar naarmate ze meer afhankelijk worden van subsidies, soms juist minder ondernemend worden.
De vraag verandert langzaam van hoe maken we dit succesvol? naar bij welk fonds kunnen we onze volgende aanvraag indienen?
En daar zit volgens mij een probleem.
We hebben een systeem ontwikkeld waarin we leren hoe we onze waarde moeten verantwoorden tegenover anderen, maar onvoldoende hoe we die waarde zelf kunnen herkennen, ontwikkelen en behouden.
We zijn rijker dan we denken
Binnen the culture creëren we dagelijks waarde.
We bepalen mede hoe muziek klinkt, hoe mode eruitziet, welke verhalen worden verteld en welke nieuwe bewegingen ontstaan. We bouwen communities, brengen mensen samen en creëren plekken waar nieuwe ideeën, samenwerkingen en kansen ontstaan.
Maar die waarde staat niet altijd op een bankrekening.
Soms zit ze in iemand die honderden jongeren weet te bereiken. In een organisator die verschillende gemeenschappen met elkaar verbindt. In een maker die een nieuwe culturele beweging start. Of in iemand die toegang heeft tot kennis, netwerken en vertrouwen waar grote organisaties jarenlang naar zoeken.
Dat is óók kapitaal.
Sterker nog, voor veel grassrootsorganisaties is dit misschien wel hun grootste kapitaal.
Toch zie ik hoe we die waarde regelmatig pas serieus nemen wanneer een fonds, gemeente of instelling besluit dat ons initiatief financiering verdient.
Alsof onze waarde pas bestaat wanneer iemand anders haar erkent.
Maar waarom laten we de waarde van wat wij creëren zo vaak bepalen door partijen die zelf niet aan de basis van die cultuur staan?
Volgens mij moeten we het perspectief omdraaien.
Niet beginnen bij wat we tekortkomen, maar bij wat we al hebben.
Welke kennis bezitten we? Welke gemeenschappen bereiken we? Welke netwerken hebben we opgebouwd? Welke culturele waarde creëren we waar anderen juist toegang toe proberen te krijgen?
En vooral: hoe kunnen we die waarde inzetten om onze eigen positie te versterken?
Van consumeren naar eigenaarschap
Daar hoort ook een ongemakkelijk gesprek bij.
Binnen onze gemeenschappen zijn we niet alleen makers en vernieuwers, maar ook consumenten. We geven geld uit aan kleding, muziek, evenementen, technologie en merken die voor een belangrijk deel voortbouwen op de cultuur die wij zelf helpen creëren.
Daar is op zichzelf niets mis mee.
Maar wanneer we vooral consumeren en onvoldoende eigenaar worden van de ondernemingen, platforms, merken en infrastructuur achter die cultuur, blijft een groot deel van de economische waarde ergens anders terechtkomen.
We organiseren evenementen, maar bezitten zelden de locaties.
We bouwen communities, maar zijn afhankelijk van platforms van anderen.
We creëren trends, maar bouwen niet altijd de merken die daarvan profiteren.
Dat vraagt om een andere manier van denken.
Niet alleen: wat kunnen we kopen?
Maar ook: wat kunnen we bouwen, bezitten en doorgeven?
En eigenaarschap gaat daarbij veel verder dan geld of vastgoed.
Het gaat ook over het beschermen van onze ideeën, het organiseren van onze kennis, het versterken van onze netwerken en het behouden van zeggenschap over wat we gezamenlijk creëren.
Want niet alle waarde is commercieel, maar vrijwel alle waarde vraagt om bewust eigenaarschap als we haar duurzaam willen behouden.
Herstel vraagt ook om economische zelfstandigheid
Die gedachte kwam bij mij opnieuw naar boven rondom het recente commissiedebat over het slavernijverleden.
Nederland stelt middelen beschikbaar voor erkenning, bewustwording, herdenking en maatschappelijke initiatieven. Dat is belangrijk en noodzakelijk.
Maar juist vanuit de geschiedenis van gemeenschappen die niet dezelfde mogelijkheden hebben gehad om bezit en vermogen op te bouwen, vind ik dat we verder moeten kijken.
Wat betekent herstel wanneer we wel activiteiten financieren, maar onvoldoende investeren in de zelfstandigheid van de organisaties en gemeenschappen daarachter?
Wat hebben we over tien jaar opgebouwd?
Zijn onze netwerken sterker geworden? Hebben we eigen instellingen, ondernemingen en infrastructuur ontwikkeld? Hebben we kennis weten vast te houden? Zijn we minder afhankelijk geworden van de overheid?
Of hebben we vooral geleerd hoe we steeds opnieuw financiering moeten aanvragen?
Ik zie deze uitdaging overigens niet alleen binnen Afro-Caribische gemeenschappen. Het speelt net zo goed bij andere grassrootsorganisaties en binnen de bredere culturele sector.
Subsidie blijft noodzakelijk, zeker voor activiteiten waarvan de waarde niet in geld is uit te drukken. Maar subsidie zou ons idealiter sterker moeten maken, niet structureel afhankelijker.
Culture Capital Fund is meer dan een fonds
Dat is ook de gedachte achter Culture Capital Fund.
Voor mij is Culture Capital Fund niet alleen een ontwikkelingsfonds dat initiatiefnemers helpt met financiering, coaching en netwerken.
Het is een gedachtengoed.
Een overtuiging dat de culturele waarde die wij dagelijks creëren, ook door onszelf herkend, ontwikkeld en duurzaam behouden moet kunnen worden.
Dat begint bij het erkennen van onze eigen kracht.
Niet vanuit het idee dat we eerst iets moeten worden voordat we waardevol zijn, maar vanuit het besef dat we al iets bezitten waarop we kunnen voortbouwen.
Soms is daarvoor geld nodig. Soms kennis. Soms de juiste verbinding. En soms simpelweg iemand die je helpt om anders naar je eigen mogelijkheden te kijken.
Want niet iedere waarde hoeft te worden vertaald naar commercieel succes.
Een sterk netwerk kan generaties kansen bieden. Kennis kan worden doorgegeven. Een gemeenschap die zichzelf weet te organiseren, kan haar eigen toekomst mede vormgeven.
Daarom moeten we niet alleen investeren in projecten, maar vooral in mensen en organisaties die die waarde kunnen blijven dragen.
En ook wijzelf moeten anders leren denken. Niet iedere keer beginnen vanuit wat we nodig hebben van een ander, maar vanuit wat we zelf kunnen inbrengen.
Wat laten we daadwerkelijk achter?
Misschien moeten we daarom succes binnen onze sector anders gaan definiëren.
Niet alleen door te kijken naar hoeveel subsidie we hebben ontvangen, hoeveel activiteiten we hebben georganiseerd of hoeveel mensen we hebben bereikt.
Maar ook naar wat er daarna overblijft.
Welke kennis hebben we opgebouwd? Welke netwerken zijn sterker geworden? Welke ondernemingen zijn ontstaan? Welke organisaties kunnen zelfstandig verder? En hoeveel van de waarde die we hebben gecreëerd, blijft daadwerkelijk binnen onze gemeenschappen?
Want uiteindelijk geloof ik dat onze grootste uitdaging niet is dat we onvoldoende waarde creëren.
Onze grootste uitdaging is dat we nog onvoldoende hebben geleerd om eigenaar te worden van de waarde die we allang creëren.
En misschien is dat wel waar de volgende fase van onze culturele en economische ontwikkeling moet beginnen.
Niet bij de vraag wat anderen bereid zijn in ons te investeren.
Maar bij het besef van wat we zelf al in handen hebben.
Van culturele invloed naar cultureel eigenaarschap. Van afhankelijkheid naar eigen kracht. En van waarde creëren naar waarde duurzaam behouden.
Gordon Sana
Oprichter Culture Capital Fund

Backing the people building what culture becomes next.
© 2026 CCF · Rotterdam